Aan wasdraden van dagdagelijksheid
hangt mijn leven onmerkbaar uit te drogen
In een moeras van hoogmoed en bescheidenheid
ploeter ik smuilend omheen het eigen onvermogen
Naakt tel ik de pluimen, verloren en gefnuikt
en mis de parels die ik ijdel aan de zwijnen gaf
Proef mijn woordenschat die naar verzuring ruikt
de weg naar het graf verwordt nu doorlopend bergaf
Uitgezette levenslijnen versteenden tot traliën
terwijl het bloed verdunde
bij elk nieuw nageslacht
Een verkild huis met dichtgespijkerde jaloezieën
waarin een eeuwig kind tevergeefs op liefde wacht.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten